Ik herinner me nog de dag dat de 'pakkenmannen' binnenkwamen bij de TUM (nu Sanoma). We noemden hen zo omdat ze deftige pakken droegen - iets wat tot dan toe alleen de directie deed en hun pakken waren eerder 'morsig' dan 'deftig'.
De pakkenmannen kwam van de Vlerickschool en ze namen de boel in één twee drie over. Ze spraken een soort newspeak dat ik niet begreep. Zijn eerste vergadering had de nieuwe marketingdirecteur net zo goed in het Chinees kunnen geven want ik begreep niets van afkortingen als POS, USP, ADI en B2B. De man had er ongetwijfeld jaren over gedaan om zich het marketingwoordenboek eigen te maken, maar voor mij was het eerder lachwekkend dan interessant.
Al snel besefte ik dat het hen menens was. De oude directeurs met hun morsige pakken vertrokken. De nieuwe konden niet echt lachen als we een cartoon hertekenden met hen in de hoofdrol.
De tijden veranderden en ik ook. Ik besefte beetje bij beetje dat een bedrijfswagen en een gsm niet bepaald gelukkig maakten. Toen werd ik ontslagen. De baas zei: 'Je marketingplan was zo goed geschreven dat ik het bijna geloofde.' Dat was wijsheid die ik begreep. Ik ging schrijven.
Mijn loon halveerde.
Ik schrijf het voor alle duidelijkheid nog een keer:
Mijn loon halveerde.
En er was geen bedrijfswagen of gsm meer.
Dat vind ik niet erg. Ik doe graag wat ik doe. Ik had er alleen veel eerder mee moeten beginnen.
Het deed me wel beseffen dat degene die iets maakt altijd lager staat dan degene die het verkoopt. Of toch bijna altijd. De marketeers hebben het voor het zeggen. Je krijgt een Disneyknuffel bij de krant omdat de krant dan beter verkoopt. De marketingmannen bepalen welke kleur de mayonaise moet hebben. De reclamemensen vertellen over 'het Solomoment' alsof zij die margarine uitgevonden hebben.
Intussen mag ik het allemaal terug lachwekkend vinden.
En dan komen er twee gasten met een idee. Jelle en Jonas - de namen alleen al smeken om een televisieprogramma. Ze zijn allebei boomlang. Ze spreken allebei met een geweldig accent (resp. Oost- en Westvlaams). Ze zijn jong - maar niet meer piep - en ze willen wat. Ze hebben een idee.
Met dat idee gaan ze naar hun vrienden. En die vrienden willen soms voor de helft van hun normale prijs meewerken, gewoon omdat het zo plezant is. Die vrienden, dat zijn stuk voor stuk stielmannen. De beste schrijvers. De beste fotografen. De beste lay-outers.
Ze vinden een uitgever die hen begrijpt. Die hen hun ding laat doen omdat die uitgever (mijn allereerste baas trouwens) weet welke stielmannen ze in huis haalt
En kijk - dan krijg je zo'n Bahamontes. Prachtig blad. Mooi bedacht. Mooi geschreven. Mooi gefotografeerd. Mooi gelayout. Mooi uitgegeven. Mooi papier. En het ruikt ook nog lekker.
Bovendien werkte Patrick er aan mee als eindredacteur. Niet dat hij een enorme wielerfan is, maar hij vond het fantastisch om weer op een (kleine) redactie te zitten en op deze manier samen te werken.
Back to basics.
Maar de dag dat ze er een gratis Disneyknuffel bij geven, haak ik af.
www.bahamontes.be
https://www.facebook.com/bahamontesmagazine?fref=ts
vrijdag 22 maart 2013
maandag 11 maart 2013
Twee meisjes van vijftig
Ik leerde Ulrika Bengtsson in 1981 kennen. We waren allebei AFS-uitwisselingsstudenten in de buurt van Harrisburg.
Zij kwam uit Zweden. We waren, denk ik, de enige Europeanen in een bonte groep Latino's. Ulrika en ik vonden oprecht dat we veel intelligenter waren dan de anderen. We maakten er zelfs een liedje over. Niet zo lang geleden vonden we de tekst terug.
Ik ben nog altijd diep beschaamd.
Ulrika en ik werden vriendinnen. Ze was mijn steun en toeverlaat toen ik van gezin veranderde. Zij was degene aan wie ik vertelde hoe beu ik mijn gastgezin was. En toen hoorden we allebei de klik van een telefoon die ingelegd werd.
Iemand van het gezin had ons afgeluisterd.
Een uur later stond ik met mijn koffer aan de deur. Het sneeuwde.
Ulrika was de knappe van ons twee. Gewoon al het feit dat ze Zweedse was, maakte dat ze een voetje voor had bij de jongens. Maar ze was ook écht mooi. Daar moeten we niet flauw over doen.
Toen ze een dagje op mijn highschool doorbracht, vroegen een paar jongens me achteraf: 'Why didn't we get the pretty one?' Daar ben je een paar jaren niet goed van.
Ulrika en ik bleven vriendinnen. Over de tijd. Over de afstand.
Zij studeerde rechten. Ik ook een jaar.
Zij trouwde met Jan, ook rechten. Ik met Patrick, ook communicatie.
Zij kreeg Gabriel en ik een jaar eerder Wannes.
Zij kreeg Ludvig en ik een jaar eerder Flo.
Al snel na onze terugkeer naar ons thuisland leerden we elkaars ouders kennen. Ik vond Nils en Margareta geweldig. Het gevoel was wederzijds.
Ik hoorde dit weekend dat Margareta wou dat Ulrika haar dochter Hilde zou noemen. Gelukkig kreeg ze twee zonen.
Nils heeft Alzheimer nu. Dat doet zeer. Alsof hij familie is.
Ulrika stuurde bloemen toen mijn moeder stierf. Mijn vader is dol op haar.
We gingen naar elkaars bruiloft. De hare in een kasteel waarrond ijsschotsen dreven.
Ulrika's broer, Magnus, was mijn escort. Hij was in de marine geweest en het was de eerste keer dat ik begeleid werd door 'a man in a uniform'. En hoe!
's Avonds speelde er een Big Band. Ik danste met iemand die de grote baas van EMI bleek te zijn. Patrick had hem minuten daarvoor gevraagd of hij ooit al van Roxette gehoord had.
Ulrika maakte carrière als jurist bij de Zweedse belastingen.
Intussen is ze iets belangrijks bij Deloitte.
Haar man is rechter.
Ze wonen in een mooie villa in Täby - het Brasschaat van Stockholm.
Ulrika vindt het belangrijk om in een 'goede' buurt te wonen.
Ze wil dat haar kinderen naar 'de beste' scholen gaan.
Ze gaat alleen in de 'betere buurten' van Stockholm winkelen.
Ze gaan op skivakantie met het vliegtuig.
Ze houden cocktailparties.
Ze hebben het allebei druk.
Ze hebben allebei stress.
De ene verwijt de andere dat hij/zij teveel werkt.
Hun leven is het onze niet.
Hun leven is zelfs dat van onze vrienden niet.
Ulrika praat over dingen waarvan ik niets begrijp, ook al spreekt ze perfect Engels.
Het is natuurlijk wel fijn dat ze denkt dat ik het begrijp.
Ulrika en ik zijn intussen meer dan dertig jaar vriendinnen. Soms hadden we tijd voor elkaar, soms minder. Ik schrijf haar. We proberen elkaar te zien. We telefoneren soms twee uur aan een stuk.
Dit weekend keek ik naar mijn dochter en Ulrika's zonen. Zij zijn ongeveer op de leeftijd waarop Ulrika en ik elkaar leerden kennen. Het was alsof er een ijzeren vuist om mijn hart sloot.
Ik vroeg me af waar al die jaren gebleven waren. Dat ene jaar waarin we elkaar leerden kennen was intens. Op het vervolg hadden we minder vat. We trouwden, we kregen kinderen, we maakten al dan niet carrière, we werden dikker, we kregen rimpels, we gingen een (lees)bril dragen, we hadden allebei kwaaltjes, we maakten ruzie met onze mannen en vertelden dat aan elkaar.
Voor we er erg in hadden, waren we meisjes van vijftig.
Met Ulrika lijkt het alsof er alleen maar sprongen gemaakt zijn. De dagen dat we elkaar zagen - dat waren de momenten waarop we misschien een beetje ouder werden. Ik zag het niet. Niet echt.
Ik vermoed dat we geen vriendinnen zouden zijn als ik een Zweedse was. Of zij een Belgische.
Onze werelden liggen mijlenver uit elkaar.
En toch liggen ze ook dichter bij elkaar dan bij welke andere vriendin ook.
Jag älskar dig, flikka.
En ik weet wel zeker dat jij mij graag ziet.
Wij. Twee meisjes van vijftig.
Zij kwam uit Zweden. We waren, denk ik, de enige Europeanen in een bonte groep Latino's. Ulrika en ik vonden oprecht dat we veel intelligenter waren dan de anderen. We maakten er zelfs een liedje over. Niet zo lang geleden vonden we de tekst terug.
Ik ben nog altijd diep beschaamd.
Ulrika en ik werden vriendinnen. Ze was mijn steun en toeverlaat toen ik van gezin veranderde. Zij was degene aan wie ik vertelde hoe beu ik mijn gastgezin was. En toen hoorden we allebei de klik van een telefoon die ingelegd werd.
Iemand van het gezin had ons afgeluisterd.
Een uur later stond ik met mijn koffer aan de deur. Het sneeuwde.
Ulrika was de knappe van ons twee. Gewoon al het feit dat ze Zweedse was, maakte dat ze een voetje voor had bij de jongens. Maar ze was ook écht mooi. Daar moeten we niet flauw over doen.
Toen ze een dagje op mijn highschool doorbracht, vroegen een paar jongens me achteraf: 'Why didn't we get the pretty one?' Daar ben je een paar jaren niet goed van.
Ulrika en ik bleven vriendinnen. Over de tijd. Over de afstand.
Zij studeerde rechten. Ik ook een jaar.
Zij trouwde met Jan, ook rechten. Ik met Patrick, ook communicatie.
Zij kreeg Gabriel en ik een jaar eerder Wannes.
Zij kreeg Ludvig en ik een jaar eerder Flo.
Al snel na onze terugkeer naar ons thuisland leerden we elkaars ouders kennen. Ik vond Nils en Margareta geweldig. Het gevoel was wederzijds.
Ik hoorde dit weekend dat Margareta wou dat Ulrika haar dochter Hilde zou noemen. Gelukkig kreeg ze twee zonen.
Nils heeft Alzheimer nu. Dat doet zeer. Alsof hij familie is.
Ulrika stuurde bloemen toen mijn moeder stierf. Mijn vader is dol op haar.
We gingen naar elkaars bruiloft. De hare in een kasteel waarrond ijsschotsen dreven.
Ulrika's broer, Magnus, was mijn escort. Hij was in de marine geweest en het was de eerste keer dat ik begeleid werd door 'a man in a uniform'. En hoe!
's Avonds speelde er een Big Band. Ik danste met iemand die de grote baas van EMI bleek te zijn. Patrick had hem minuten daarvoor gevraagd of hij ooit al van Roxette gehoord had.
Ulrika maakte carrière als jurist bij de Zweedse belastingen.
Intussen is ze iets belangrijks bij Deloitte.
Haar man is rechter.
Ze wonen in een mooie villa in Täby - het Brasschaat van Stockholm.
Ulrika vindt het belangrijk om in een 'goede' buurt te wonen.
Ze wil dat haar kinderen naar 'de beste' scholen gaan.
Ze gaat alleen in de 'betere buurten' van Stockholm winkelen.
Ze gaan op skivakantie met het vliegtuig.
Ze houden cocktailparties.
Ze hebben het allebei druk.
Ze hebben allebei stress.
De ene verwijt de andere dat hij/zij teveel werkt.
Hun leven is het onze niet.
Hun leven is zelfs dat van onze vrienden niet.
Ulrika praat over dingen waarvan ik niets begrijp, ook al spreekt ze perfect Engels.
Het is natuurlijk wel fijn dat ze denkt dat ik het begrijp.
Ulrika en ik zijn intussen meer dan dertig jaar vriendinnen. Soms hadden we tijd voor elkaar, soms minder. Ik schrijf haar. We proberen elkaar te zien. We telefoneren soms twee uur aan een stuk.
Dit weekend keek ik naar mijn dochter en Ulrika's zonen. Zij zijn ongeveer op de leeftijd waarop Ulrika en ik elkaar leerden kennen. Het was alsof er een ijzeren vuist om mijn hart sloot.
Ik vroeg me af waar al die jaren gebleven waren. Dat ene jaar waarin we elkaar leerden kennen was intens. Op het vervolg hadden we minder vat. We trouwden, we kregen kinderen, we maakten al dan niet carrière, we werden dikker, we kregen rimpels, we gingen een (lees)bril dragen, we hadden allebei kwaaltjes, we maakten ruzie met onze mannen en vertelden dat aan elkaar.
Voor we er erg in hadden, waren we meisjes van vijftig.
Met Ulrika lijkt het alsof er alleen maar sprongen gemaakt zijn. De dagen dat we elkaar zagen - dat waren de momenten waarop we misschien een beetje ouder werden. Ik zag het niet. Niet echt.
Ik vermoed dat we geen vriendinnen zouden zijn als ik een Zweedse was. Of zij een Belgische.
Onze werelden liggen mijlenver uit elkaar.
En toch liggen ze ook dichter bij elkaar dan bij welke andere vriendin ook.
Jag älskar dig, flikka.
En ik weet wel zeker dat jij mij graag ziet.
Wij. Twee meisjes van vijftig.
dinsdag 5 maart 2013
Stoefen over mijn kinderen
Ze gaan het niet plezant vinden dat ik dit bloggewijs publiek maak, maar ik heb redelijk fantastische kinderen. Ik ga dus nu even schaamteloos stoefen over hen. Als u daar niet tegen kan, stop dan met lezen.
Flo babysit. Vaak. Overal.
Ze geeft dansles aan kleine kindjes.
Ze danst zelf. Klassiek en modern.
Ze vertelde gisteren aan tafel: 'Ik heb nagedacht over wat ik ga studeren volgend jaar.'
Dan vertelt ze wat ze gaat doen en waarom ze het gaat doen.
Ik denk niet dat ik de zin 'ik heb nagedacht over' al gebruikte toen ik vijftien was.
Ze zoekt nu een job voor op zaterdagen.
Dat ze met haar vriendin een weekendje naar Parijs wil, daar heb ik het moeilijk mee. Ze is nog maar vijftien.
Wannes werkt.
Hij is een paar avonden per week garçon bij Bar Italia.
Hij organiseert feestjes. Liquid Drum & Bass. Het volgende heet Bass Circus - vrijdag 26 april in Hangar 27 in Edegem. Allen daarheen! Hij probeert ons de finesses van Liquid Drum & Bass uit te leggen, maar we snappen het niet echt. Misschien ligt het aan die 'liquid'? Als er een grote backstage is, moeten we eens komen kijken. Zegt Wannes.
Hij is scoutsleider van de jonggidsen. Elke zondag van 9 tot 12.
Hij doet het heel goed in zijn studies. Niks op aan te merken.
Hij vliegt straks naar Sao Paulo om er zijn familie en vrienden te bezoeken. En hij bekostigt dat zelf.
Voila. Dat is mijn kroost. Ik kon het efkes niet laten.
Het zijn koppigaards die alleen hun goesting doen en waar het af en toe serieus mee botst.
Maar boy oh boy, wat ben ik er trots op!
Flo babysit. Vaak. Overal.
Ze geeft dansles aan kleine kindjes.
Ze danst zelf. Klassiek en modern.
Ze vertelde gisteren aan tafel: 'Ik heb nagedacht over wat ik ga studeren volgend jaar.'
Dan vertelt ze wat ze gaat doen en waarom ze het gaat doen.
Ik denk niet dat ik de zin 'ik heb nagedacht over' al gebruikte toen ik vijftien was.
Ze zoekt nu een job voor op zaterdagen.
Dat ze met haar vriendin een weekendje naar Parijs wil, daar heb ik het moeilijk mee. Ze is nog maar vijftien.
Wannes werkt.
Hij is een paar avonden per week garçon bij Bar Italia.
Hij organiseert feestjes. Liquid Drum & Bass. Het volgende heet Bass Circus - vrijdag 26 april in Hangar 27 in Edegem. Allen daarheen! Hij probeert ons de finesses van Liquid Drum & Bass uit te leggen, maar we snappen het niet echt. Misschien ligt het aan die 'liquid'? Als er een grote backstage is, moeten we eens komen kijken. Zegt Wannes.
Hij is scoutsleider van de jonggidsen. Elke zondag van 9 tot 12.
Hij doet het heel goed in zijn studies. Niks op aan te merken.
Hij vliegt straks naar Sao Paulo om er zijn familie en vrienden te bezoeken. En hij bekostigt dat zelf.
Voila. Dat is mijn kroost. Ik kon het efkes niet laten.
Het zijn koppigaards die alleen hun goesting doen en waar het af en toe serieus mee botst.
Maar boy oh boy, wat ben ik er trots op!
dinsdag 29 januari 2013
Eine kleine Nachtmusik
In je onderbewustzijn hoor je een sleutel in het slot draaien. Je trekt zonder je ogen te openen de wekker naar je toe en ziet door je wimpers dat het twintig voor vijf is.
'Eindelijk. Hij is thuis,' denk je.
De voordeur blijft langer open dan normaal en langzaam stellen je antennes zich scherp.
Doet hij ze op slot?
Is hij dronken?
Er klinkt belachelijk luid geschuifel voor dit uur van de nacht en je voelt hoe ergens in je voetregio de irritatie begint. Zenuwbenen. Je wriemelt. Je knijpt je ogen stijf dicht en probeert jezelf weer in slaap te dwingen. Je staat op en gaat plassen.
Beneden branden intussen de lichten. Veel lichten die door de dunne lap stof schijnen die nu bijna een jaar voor het gat in de deur hangt. Je maakt een mentale nota dat je het gat dringend moet dichten.
Je hoort keukenkasten opengaan. Een lade. Borden. De koelkast. De irritatie zit al voorbij je knieën als je beseft dat je straks door de regen moet voor vers brood.
Het bord wordt hardhandig op de tafel gezet. Je zintuigen zijn nu zo wakker dat ze registeren hoe de broodzak opengaat en hoe een pak kaas wordt opengesneden (lade open, schaar, lade dicht).
Eerst de keukendeur, dan het schuifje van de kelderdeur. Hij dendert de trap af. En weer terug op. Een fles Icetea, denk je, want er stond geen frisdrank meer in de koelkast. De irritatie is geruisloos naar boven geslopen en zit nu vlak onder je ribbenkast
Wat in een restaurant rustgevende geklingel van borden, messen, glazen genoemd wordt, klinkt op dit onmenselijk vroege uur als een orkest dat zich warm blaast. Je schouders spannen zich en het lukt je niet meer om de juiste slaaphouding te vinden.
Dan hoor je praten.
Telefoon?
Nu?
Op dit uur?
Ping!
De irritatie heeft de opperste regionen bereikt. Je laat je boos uit bed glijden en loopt op blote voeten de trap af.
In een oud - en vooral vaak gewassen en dus slobberig - roze T-shirt dat net onder je billen komt en waaronder je geen onderbroek draagt. En geen beha natuurlijk.
Dat laatste besef je pas wanneer je in de keuken staat - in de spotlights van drie, vier, neen vijf! lampen - en vier ogen je verwonderd aankijken. Vier. Je brein registreert het iets te laat. Je staat er al minstens een halve seconde.
Je gooit je armen in de lucht - je denkt net te laat: 'niet te hoog! niet te hoog!' - en mompelt: 'Allez, Wannes, ik ben kapot!'
Je loopt terug naar boven en gaat in bed liggen.
Je vouwt je handen op je borst.
Je voeten hebben ijskoud van de tegels in de gang.
Je denkt aan het roze T-shirt waar een gat in zit. Je kunt er zo je vinger doorsteken.
Je beseft dat je vergat de make-up van je gezicht te halen zodat je er nu als een verlopen panda uitziet.
Je voelt aan je haren die achteraan vreemd plat liggen en een beetje omhoog steken aan één kant.
Je hoopt dat Franky heel dronken is. Of dat je zo snel weg was dat hij je niet zag. Of dat hij plots blind geworden is.
Tien minuten later hoor je ze de trap op stommelen.
Ze giechelen in de badkamer waarvan je weet dat de deur half open staat. Je hoopt dat Franky jouw tandenborstel niet gebruikt.
Meer gestommel op nog een trap. En nog een krakende trap in de slaapkamer. En dan nog een keer terug naar de badkamer. En weer terug.
Je hoort een enorme klap.
De deur van de andere slaapkamer gaat open.
'Godverdomme Wannes! Kun jij niet slapen als normale mensen? Onnozelaar!'
Flo draagt geen oude slaapkleren en geen make-up.
Gelukkig maar.
Het is intussen vijf voor zes en je staat op.
'Eindelijk. Hij is thuis,' denk je.
De voordeur blijft langer open dan normaal en langzaam stellen je antennes zich scherp.
Doet hij ze op slot?
Is hij dronken?
Er klinkt belachelijk luid geschuifel voor dit uur van de nacht en je voelt hoe ergens in je voetregio de irritatie begint. Zenuwbenen. Je wriemelt. Je knijpt je ogen stijf dicht en probeert jezelf weer in slaap te dwingen. Je staat op en gaat plassen.
Beneden branden intussen de lichten. Veel lichten die door de dunne lap stof schijnen die nu bijna een jaar voor het gat in de deur hangt. Je maakt een mentale nota dat je het gat dringend moet dichten.
Je hoort keukenkasten opengaan. Een lade. Borden. De koelkast. De irritatie zit al voorbij je knieën als je beseft dat je straks door de regen moet voor vers brood.
Het bord wordt hardhandig op de tafel gezet. Je zintuigen zijn nu zo wakker dat ze registeren hoe de broodzak opengaat en hoe een pak kaas wordt opengesneden (lade open, schaar, lade dicht).
Eerst de keukendeur, dan het schuifje van de kelderdeur. Hij dendert de trap af. En weer terug op. Een fles Icetea, denk je, want er stond geen frisdrank meer in de koelkast. De irritatie is geruisloos naar boven geslopen en zit nu vlak onder je ribbenkast
Wat in een restaurant rustgevende geklingel van borden, messen, glazen genoemd wordt, klinkt op dit onmenselijk vroege uur als een orkest dat zich warm blaast. Je schouders spannen zich en het lukt je niet meer om de juiste slaaphouding te vinden.
Dan hoor je praten.
Telefoon?
Nu?
Op dit uur?
Ping!
De irritatie heeft de opperste regionen bereikt. Je laat je boos uit bed glijden en loopt op blote voeten de trap af.
In een oud - en vooral vaak gewassen en dus slobberig - roze T-shirt dat net onder je billen komt en waaronder je geen onderbroek draagt. En geen beha natuurlijk.
Dat laatste besef je pas wanneer je in de keuken staat - in de spotlights van drie, vier, neen vijf! lampen - en vier ogen je verwonderd aankijken. Vier. Je brein registreert het iets te laat. Je staat er al minstens een halve seconde.
Je gooit je armen in de lucht - je denkt net te laat: 'niet te hoog! niet te hoog!' - en mompelt: 'Allez, Wannes, ik ben kapot!'
Je loopt terug naar boven en gaat in bed liggen.
Je vouwt je handen op je borst.
Je voeten hebben ijskoud van de tegels in de gang.
Je denkt aan het roze T-shirt waar een gat in zit. Je kunt er zo je vinger doorsteken.
Je beseft dat je vergat de make-up van je gezicht te halen zodat je er nu als een verlopen panda uitziet.
Je voelt aan je haren die achteraan vreemd plat liggen en een beetje omhoog steken aan één kant.
Je hoopt dat Franky heel dronken is. Of dat je zo snel weg was dat hij je niet zag. Of dat hij plots blind geworden is.
Tien minuten later hoor je ze de trap op stommelen.
Ze giechelen in de badkamer waarvan je weet dat de deur half open staat. Je hoopt dat Franky jouw tandenborstel niet gebruikt.
Meer gestommel op nog een trap. En nog een krakende trap in de slaapkamer. En dan nog een keer terug naar de badkamer. En weer terug.
Je hoort een enorme klap.
De deur van de andere slaapkamer gaat open.
'Godverdomme Wannes! Kun jij niet slapen als normale mensen? Onnozelaar!'
Flo draagt geen oude slaapkleren en geen make-up.
Gelukkig maar.
Het is intussen vijf voor zes en je staat op.
woensdag 16 januari 2013
Mijn straat 2
Mijn straat is wit vandaag. Met ook een beetje bruin en vooral veel glad. Met hakken is het lachen. Als ik 's nachts in bed lig, knijp ik mijn ogen een beetje vaster dicht als ik auto's om de hoek hoor komen. En als ze hard gaan soms mijn billen.
De stoep is grotendeels geveegd met hier en daar nog gladde stukken van de mensen die straks 'dag meneer, dag mevrouw, ik ben van de GAS' aan de deur krijgen. Of niet natuurlijk. De GAS komt hier niet zo vaak langs, in mijn straat. Dat weten die mensen ook wel.
Op vijf minuten ben ik in het Rivierenhof om er plaats te maken in mijn hoofd voor nieuwe letters en woorden en zinnen maar vandaag is er geen rust. Kinderen gillen en sleeën op rood en blauw en groen plastic en soms ook op hout. Hun moeders dachten 'laat ik dat skipak nog maar eens aantrekken want anders is het zo zonde voor één keer per jaar tijdens de skivakantie'. Er is een man met een rood espenblad op zijn hoofd waarop CANADA geborduurd staat en een oude Marokkaan met een djellaba en een roze muts met flosjkes aan zijn oren en een man met bijna net zo lange haren als Elise van het plein maar dan grijs en onder een muts. Hij rent en rent in zijn zwarte strakke broek en zijn gele fluojas en zijn haren vliegen achter hem aan. Rap! Een andere man rinkelt met zijn fietsbel. Ik moet uit de weg! Weg! Hij schuift meer dus ik ga weg.
De dakloze uit mijn straat zien we niet meer. Omdat ik een beetje bezorgd en heel nieuwsgierig ben, bel ik naar de opvangdienst. Hij slaapt daar. Maar om tien uur 's ochtends moet hij buiten. Zou hij soep krijgen? En thee? En een extra dekentje? En brood van Xavier en Veronique? Want dat kreeg hij hier wel, in mijn straat.
De stoep is grotendeels geveegd met hier en daar nog gladde stukken van de mensen die straks 'dag meneer, dag mevrouw, ik ben van de GAS' aan de deur krijgen. Of niet natuurlijk. De GAS komt hier niet zo vaak langs, in mijn straat. Dat weten die mensen ook wel.
Op vijf minuten ben ik in het Rivierenhof om er plaats te maken in mijn hoofd voor nieuwe letters en woorden en zinnen maar vandaag is er geen rust. Kinderen gillen en sleeën op rood en blauw en groen plastic en soms ook op hout. Hun moeders dachten 'laat ik dat skipak nog maar eens aantrekken want anders is het zo zonde voor één keer per jaar tijdens de skivakantie'. Er is een man met een rood espenblad op zijn hoofd waarop CANADA geborduurd staat en een oude Marokkaan met een djellaba en een roze muts met flosjkes aan zijn oren en een man met bijna net zo lange haren als Elise van het plein maar dan grijs en onder een muts. Hij rent en rent in zijn zwarte strakke broek en zijn gele fluojas en zijn haren vliegen achter hem aan. Rap! Een andere man rinkelt met zijn fietsbel. Ik moet uit de weg! Weg! Hij schuift meer dus ik ga weg.
De dakloze uit mijn straat zien we niet meer. Omdat ik een beetje bezorgd en heel nieuwsgierig ben, bel ik naar de opvangdienst. Hij slaapt daar. Maar om tien uur 's ochtends moet hij buiten. Zou hij soep krijgen? En thee? En een extra dekentje? En brood van Xavier en Veronique? Want dat kreeg hij hier wel, in mijn straat.
dinsdag 15 januari 2013
Mijn straat
Mijn straat ligt in Borgerhout. Dat Borgerhout, ja, van de sms-en en de camionetten en de werkloze journalisten op de Turnhoutsebaan.
Mijn huis ligt tegenover de kerk. De dikke kerk die naar het schijnt op een peperbus lijkt.
Als ik in mijn huis sta en naar buiten kijk, woont rechts Wouter van Groen! en links Siegfried Verbeke van 'in de gevangenis wegens negationisme'. Daartussen wonen nog maar pas Jan en Christel en al heel lang Driss die de garage van Siegfried mag gebruiken voor zijn rommel en Wim die neuroloog is met zijn man Stefaan die Fausto Coppi speelt in theater Tol en den bompa die 's ochtends heel vroeg een sigaretje rookt voor zijn deur en dan heel luid 'goeiemorgen' zegt waarop ik alleen maar 'sssssst' wil doen en ook nog oude Anna die slecht te been is en nog maar weinig buiten komt.
Aan de kant waar geen kerk meer is, heeft een zwangerschapsvirus toegeslagen. Eentje is dit weekend geboren en er wonen nog vijf andere babytjes in evenveel buiken uit de straat. Ze heten Grote Anna en Kleine Anna - maar niet echt natuurlijk - en Simon en Arvid en Sam en Femke en Tuur en Nand en zijn kleine zusje en sinds kort ook Mia. Ze vinden allemaal moeilijk een plaatsje in de kleuterklas. Ze dragen soms zelfgemaakte kleertjes en hun ouders hebben niks met auto's. Ze gaan achter op de fiets of in de bakfiets of gewoon te voet.
In de straat hangen vlaggetjes gestikt door de buurvrouwen omdat ze dat leuk vonden en ook voor Music for Life, maar toch vooral omdat ze dat leuk vonden. Soms ontstaat er plots een soepruil die weer even snel verdwijnt. Misschien zijn de groenten op? Of de goesting, dat kan ook. Soms geven we feesten met halal vlees en halal kip en vinden wij dat allemaal prima. Soms drinken we uit protest voor een overleden buurman zijn huis een Jupiler. En in de zomer zetten we bloembakken buiten - die van de Lentepoets of die van onszelf.
Dat en misschien nog veel meer is mijn straat in Borgerhout.
Mijn huis ligt tegenover de kerk. De dikke kerk die naar het schijnt op een peperbus lijkt.
Als ik in mijn huis sta en naar buiten kijk, woont rechts Wouter van Groen! en links Siegfried Verbeke van 'in de gevangenis wegens negationisme'. Daartussen wonen nog maar pas Jan en Christel en al heel lang Driss die de garage van Siegfried mag gebruiken voor zijn rommel en Wim die neuroloog is met zijn man Stefaan die Fausto Coppi speelt in theater Tol en den bompa die 's ochtends heel vroeg een sigaretje rookt voor zijn deur en dan heel luid 'goeiemorgen' zegt waarop ik alleen maar 'sssssst' wil doen en ook nog oude Anna die slecht te been is en nog maar weinig buiten komt.
Aan de kant waar geen kerk meer is, heeft een zwangerschapsvirus toegeslagen. Eentje is dit weekend geboren en er wonen nog vijf andere babytjes in evenveel buiken uit de straat. Ze heten Grote Anna en Kleine Anna - maar niet echt natuurlijk - en Simon en Arvid en Sam en Femke en Tuur en Nand en zijn kleine zusje en sinds kort ook Mia. Ze vinden allemaal moeilijk een plaatsje in de kleuterklas. Ze dragen soms zelfgemaakte kleertjes en hun ouders hebben niks met auto's. Ze gaan achter op de fiets of in de bakfiets of gewoon te voet.
In de straat hangen vlaggetjes gestikt door de buurvrouwen omdat ze dat leuk vonden en ook voor Music for Life, maar toch vooral omdat ze dat leuk vonden. Soms ontstaat er plots een soepruil die weer even snel verdwijnt. Misschien zijn de groenten op? Of de goesting, dat kan ook. Soms geven we feesten met halal vlees en halal kip en vinden wij dat allemaal prima. Soms drinken we uit protest voor een overleden buurman zijn huis een Jupiler. En in de zomer zetten we bloembakken buiten - die van de Lentepoets of die van onszelf.
Dat en misschien nog veel meer is mijn straat in Borgerhout.
donderdag 10 januari 2013
Deel 3 zonder dak
In 1982 verbleef ik vier dagen bij meneer en mevrouw Vanderputten in New York. Ik was achttien en New York was het schitterend eindpunt van mijn uitwisselingsjaar in de USA.
Meneer Vanderputten nam me 's ochtends vroeg mee op een wandeling door Manhattan. Hij kocht een kop koffie in een kartonnen beker en liet er extra veel suiker in doen. Dan bestelde hij een zwarte koffie waar hij meteen een slokje van nam. Voor ik me kon afvragen voor wie de eerste kop bestemd was, knielde hij neer bij een groezelige oude man en gaf hem de koffie en een briefje van een dollar. Hij sloeg fluisterend een praatje en stond weer op.
Toen we verder liepen vroeg ik meneer Vanderputten wie de man was.
'That's Gerald', zei hij. 'I bring him coffee every day.'
Iemand elke dag een kop koffie brengen was een nieuw concept voor mij.
'Why?' was dan ook een logische vraag.
'Gerald is homeless. The coffee is his breakfast and he can buy lunch for a dollar.'
Zijn antwoord verbaasde me zo mogelijk nog meer. 'Dakloos' was in België - of tenminste in Leuven waar ik vandaan kwam - even nieuw als koffie uit een kartonnen beker met een plastic dekseltje erop. Meneer Vanderputten keek me aan en trok zijn borstelige grijze wenkbrauwen omhoog.
'There are hundreds of homeless people in the city,' verduidelijkte hij toen hij mijn verbaasde gezicht zag, 'but I made Gerald my homeless person. I give him coffee and a dollar every day and I talk to him, so he knows someone still cares.'
Meneer Vanderputten was ongetwijfeld een rijk man. Hij woonde met zijn vrouw in hartje New York op een tweeslaapkamerappartement met een zwembad op het dak. Omdat ik geen flauw idee had wat een dergelijke flat waard was, maakte ik er niet veel van, maar ik vond het wel cool dat hij met een dakloze praatte.
Het is intussen meer dan dertig jaar geleden, maar dat beeld van meneer Vanderputten staat nog altijd op mijn netvlies gebrand. Van alle zaken die ik dat jaar beleefde, was dat hetgene wat bleef hangen. Misschien bestaat er een foto van meneer Vanderputten met de dakloze Gerald en herinner ik het me daarom nog zo helder, maar net zo goed bestaat die foto niet.
Mijn dakloze heet Jay en komt uit India. Zijn verhaal is vreemd. Hij nam het vliegtuig naar Frankrijk en landde in Parijs waar zijn broers hem zouden komen halen voor een gearrangeerd huwelijk. Ze daagden echter niet op en Jay kwam op straat terecht. Hij liep verloren, geraakte zijn papieren kwijt en toen het te koud werd in Parijs, kwam hij naar Antwerpen waar het in zijn gedachten warmer was.
Zijn mama in India wil dat hij terugkomt. En hij wil ook terug, maar heeft geen geld en geen papieren.
Zijn drie broers wonen legaal in Parijs maar hij heeft hun adressen of telefoonnummers niet. Het vragen aan zijn moeder kan niet. Zij woont in Madras maar het is niet duidelijk of hij contact met haar heeft.
Hij is dertig.
Een raar verhaal? Dat vind ik ook. Het hangt met haken en ogen aan elkaar en ik weet niet wat ik ervan moet geloven.
Vannacht slaapt hij nog op straat, maar morgen gaat hij naar de psychiatrische afdeling van het Stuivenbergziekenhuis. Om tien uur. Echt waar. En hij mag er veertien dagen blijven.
Ik bel het ziekenhuis en vraag hen of ze morgen een Jay verwachten. Er staat niemand nieuw opgeschreven die morgen binnen moet komen verzekert de verpleegster van dienst me. Mijn hart breekt een beetje als ik het haar hoor zeggen. En ik voel me ook opstandig en gefrustreerd worden, want Jay komt de ene keer met de boot en de volgende keer met het vliegtuig. Hij wil de ene keer wel ergens gaan slapen en een paar uur later weer niet.
Jay heeft problemen die ik niet kan oplossen. Ik kan ze zelfs niet mijn probleem maken. Ik wil helpen, maar mijn hulp leidt tot niets. Een trui, twee dekens en om de vier uur een hete bokaal thee met vier klontjes suiker. Veel meer kan ik voorlopig niet doen.
Alle buren zijn nu op de hoogte en iedereen doet wat hij kan. Ik denk dat hij intussen kan kiezen uit drie soorten soep. Een buurvrouw doet navraag bij het Mattheusshuis van de parochie en vraagt of Jay er een nacht mag blijven, maar zij mogen die verantwoordelijkheid niet nemen. Bijna alle mensen die voorbij komen staan stil en blijven kijken naar het blauwe deken in het kerkportaal. Ze praten met elkaar, vertellen wat zij weten over hem en vragen zich stuk voor stuk af wat we nog meer kunnen doen.
We zijn solidair, maar we staan met onze rug tegen de muur.
Meneer Vanderputten nam me 's ochtends vroeg mee op een wandeling door Manhattan. Hij kocht een kop koffie in een kartonnen beker en liet er extra veel suiker in doen. Dan bestelde hij een zwarte koffie waar hij meteen een slokje van nam. Voor ik me kon afvragen voor wie de eerste kop bestemd was, knielde hij neer bij een groezelige oude man en gaf hem de koffie en een briefje van een dollar. Hij sloeg fluisterend een praatje en stond weer op.
Toen we verder liepen vroeg ik meneer Vanderputten wie de man was.
'That's Gerald', zei hij. 'I bring him coffee every day.'
Iemand elke dag een kop koffie brengen was een nieuw concept voor mij.
'Why?' was dan ook een logische vraag.
'Gerald is homeless. The coffee is his breakfast and he can buy lunch for a dollar.'
Zijn antwoord verbaasde me zo mogelijk nog meer. 'Dakloos' was in België - of tenminste in Leuven waar ik vandaan kwam - even nieuw als koffie uit een kartonnen beker met een plastic dekseltje erop. Meneer Vanderputten keek me aan en trok zijn borstelige grijze wenkbrauwen omhoog.
'There are hundreds of homeless people in the city,' verduidelijkte hij toen hij mijn verbaasde gezicht zag, 'but I made Gerald my homeless person. I give him coffee and a dollar every day and I talk to him, so he knows someone still cares.'
Meneer Vanderputten was ongetwijfeld een rijk man. Hij woonde met zijn vrouw in hartje New York op een tweeslaapkamerappartement met een zwembad op het dak. Omdat ik geen flauw idee had wat een dergelijke flat waard was, maakte ik er niet veel van, maar ik vond het wel cool dat hij met een dakloze praatte.
Het is intussen meer dan dertig jaar geleden, maar dat beeld van meneer Vanderputten staat nog altijd op mijn netvlies gebrand. Van alle zaken die ik dat jaar beleefde, was dat hetgene wat bleef hangen. Misschien bestaat er een foto van meneer Vanderputten met de dakloze Gerald en herinner ik het me daarom nog zo helder, maar net zo goed bestaat die foto niet.
Mijn dakloze heet Jay en komt uit India. Zijn verhaal is vreemd. Hij nam het vliegtuig naar Frankrijk en landde in Parijs waar zijn broers hem zouden komen halen voor een gearrangeerd huwelijk. Ze daagden echter niet op en Jay kwam op straat terecht. Hij liep verloren, geraakte zijn papieren kwijt en toen het te koud werd in Parijs, kwam hij naar Antwerpen waar het in zijn gedachten warmer was.
Zijn mama in India wil dat hij terugkomt. En hij wil ook terug, maar heeft geen geld en geen papieren.
Zijn drie broers wonen legaal in Parijs maar hij heeft hun adressen of telefoonnummers niet. Het vragen aan zijn moeder kan niet. Zij woont in Madras maar het is niet duidelijk of hij contact met haar heeft.
Hij is dertig.
Een raar verhaal? Dat vind ik ook. Het hangt met haken en ogen aan elkaar en ik weet niet wat ik ervan moet geloven.
Vannacht slaapt hij nog op straat, maar morgen gaat hij naar de psychiatrische afdeling van het Stuivenbergziekenhuis. Om tien uur. Echt waar. En hij mag er veertien dagen blijven.
Ik bel het ziekenhuis en vraag hen of ze morgen een Jay verwachten. Er staat niemand nieuw opgeschreven die morgen binnen moet komen verzekert de verpleegster van dienst me. Mijn hart breekt een beetje als ik het haar hoor zeggen. En ik voel me ook opstandig en gefrustreerd worden, want Jay komt de ene keer met de boot en de volgende keer met het vliegtuig. Hij wil de ene keer wel ergens gaan slapen en een paar uur later weer niet.
Jay heeft problemen die ik niet kan oplossen. Ik kan ze zelfs niet mijn probleem maken. Ik wil helpen, maar mijn hulp leidt tot niets. Een trui, twee dekens en om de vier uur een hete bokaal thee met vier klontjes suiker. Veel meer kan ik voorlopig niet doen.
Alle buren zijn nu op de hoogte en iedereen doet wat hij kan. Ik denk dat hij intussen kan kiezen uit drie soorten soep. Een buurvrouw doet navraag bij het Mattheusshuis van de parochie en vraagt of Jay er een nacht mag blijven, maar zij mogen die verantwoordelijkheid niet nemen. Bijna alle mensen die voorbij komen staan stil en blijven kijken naar het blauwe deken in het kerkportaal. Ze praten met elkaar, vertellen wat zij weten over hem en vragen zich stuk voor stuk af wat we nog meer kunnen doen.
We zijn solidair, maar we staan met onze rug tegen de muur.
Abonneren op:
Posts (Atom)
